Tilia

Linde
Soorten en natuurlijke verspreiding
Het geslacht Tilia behoort tot de Malvaceae (kaasjeskruidfamilie), een voornamelijk in de tropen en subtropen voorkomende familie. Tilia is een geslacht van het noordelijk halfrond met soorten in Europa en Noord-Amerika en veel soorten in Azië, in het bijzonder in Centraal, West- en Zuid-China tot in Indo-China. Momenteel worden ongeveer vijfentwintig soorten binnen het geslacht Tilia onderscheiden. T. cordata en T. platyphyllos komen, hoewel zeldzaam, van nature in Nederland voor. In ons land worden hoofdzakelijk de volgende soorten en soorthybriden gebruikt: Tilia americana (Amerikaanse linde), Tilia cordata (kleinbladige linde), Tilia x europaea (Hollandse linde), Tilia platyphyllos (grootbladige linde) en Tilia tomentosa (zilverlinde).
Morfologie
Tilia is een geslacht van bladverliezende loofbomen; de hoogte is afhankelijk van de soort en het ras. De schors is eerst glad maar wordt op latere leeftijd ondiep gegroefd en kan op hogere leeftijd ruw worden. In sommige gevallen vormen de bomen veel opslag rondom de onderzijde van de stam. De enkelvoudige bladen staan verspreid en zijn veelal hartvormig met een scheve bladvoet en een gezaagde bladrand. Kenmerkend voor het geslacht is dat de steel van de bloeiwijze met een lancetvormig schutblad is vergroeid. Tilia bloeit gewoonlijk rijk met wit tot geelachtige bloemen die veel nectar produceren. De bestuiving vindt plaats door insecten, in het bijzonder door bijen. De vrucht is een klein bolvormig nootje met een harde schaal.
Belangrijkste toepassingen
Vegetatief vermeerderd plantmateriaal (op onderstam of door afleggers of zomerstek) wordt in het stedelijk gebied gebruikt voor straten, lanen, parken en plantsoenen. Tilia verdraagt snoei goed en kan daardoor op veel plaatsen en ook onder bijzondere omstandigheden worden gebruikt. Generatief vermeerderd plantmateriaal wordt in bossen en landschappelijke beplantingen gebruikt. Het hout van Tilia is zacht, licht en niet duurzaam, maar laat zich goed bewerken en is daardoor populair bij houtbewerkers.
Groeiplaats
Tilia verdraagt lichte schaduw. De groei is optimaal op goed leemhoudende gronden en humusrijke, voedzame, vochthoudende zandgronden. Tilia stelt weinig eisen aan de vocht- en voedselhuishouding van de bodem, hoewel bij langdurige wateroverlast, net als bij veel andere boomsoorten, de groei stagneert. Tilia is weinig windgevoelig, maar gevoelig voor strooizout en zoute wind.
Ziekten en plagen
De lindebladluis (Eucallipterus tiliae) scheidt 'honingdauw' (suikerhoudend vocht) af waarop schimmels als 'roetdauw' zich ontwikkelen. Bastaardrupsen van de lindebladwesp (Caliroa annulipes) die op naaktslakken lijken skeletteren de bladeren vanaf de onderzijde. Bij langdurige droogte en warmteperioden kan aantasting door de lindespintmijt (Eotetranychus tiliarum) ontstaan, die bruinverkleuring en vroege bladval veroorzaken, beginnend bij de onderste takken. De larven van de wapendrager (Phalera bucephala), eten het bladmoes tussen de zware nerven weg. Bij jonge bomen wordt de schimmelziekte vuur (Nectria cinnabarina, meniezwammetje) regelmatig waargenomen. Tilia is vatbaar voor verwelkingsziekte (Verticillium dahliae). Tilia kent meerdere, door diverse schimmels veroorzaakte bladvlekkenziektes, maar deze zijn in de praktijk van weinig betekenis.