Rassenlijst Bomen Autochtone herkomst

Autochtone herkomsten

In 1992 heeft Nederland het Biodiversiteitsverdrag van Rio ondertekend. Eén van de centrale thema’s was het behoud van de biologische diversiteit binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen.

Autochtone Nederlandse herkomsten

Sinds Rio is het denken over natuurbeheer in brede kring veranderd en is er ook een duidelijk toenemende belangstelling voor autochtone bomen en struiken. Het verdwijnen van biologische diversiteit en daarmee genetische verarming, kan onder andere worden tegengegaan door versterking van bestaande populaties en door herintroductie van autochtoon materiaal.

Plantmateriaal van de meeste boomsoorten voor bosbouwkundige doeleinden mag alleen gebruikt worden als het aan bepaalde voorwaarden voldoet. Op deze wijze wordt voorkomen dat ongeschikt plantmateriaal gebruikt wordt. De voorwaarden zijn vastgelegd in Nederlandse en Europese regelgeving. Voor de Europese Unie is de bosbouwrichtlijn opgesteld, waarin de belangrijkste definities zijn opgenomen. Voor Nederland is dit de Zaaizaad- en plantgoedwet.

Belang en areaal van autochtone bomen en struiken

Door de eeuwenlange natuurlijke selectie hebben de autochtone populaties zich aan ons klimaat en onze milieuomstandigheden aan kunnen passen. Hierdoor zijn er lokale verschillen ontstaan: in het ene gebied bloeit een boom of struik bijvoorbeeld eerder dan in het andere gebied. Ook kunnen vorm en grootte van de bladeren of de bloemen variëren. Deze variatie is van groot belang voor allerlei dieren, zoals bloem bezoekende insecten.

Het areaal autochtone bomen en struiken en de genetische kwaliteit ervan zijn in ons land drastisch achteruitgegaan. Belangrijke oorzaken zijn het eeuwenlange proces van ontbossing en het verdwijnen van meer dan driekwart van de oude houtwallen en heggen ten behoeve van schaalvergroting in de landbouw, verstedelijking en de uitbreiding van infrastructuur. Een minder bekende, maar niet minder belangrijke oorzaak van de achteruitgang is het gebruik van plantmateriaal uit andere landen. Veel plantmateriaal wordt bijvoorbeeld opgekweekt uit zaad dat geïmporteerd is uit Zuid- en Oost-Europa. Daarbij gaat het weliswaar om soorten waarvoor ons land tot het natuurlijke verspreidingsgebied hoort, maar het importmateriaal heeft andere erfelijke eigenschappen. Hierdoor kunnen vitaliteitproblemen ontstaan, omdat bijvoorbeeld het moment van uitlopen en bloei in Nederland op een 'verkeerd' tijdstip valt. Behalve voor de boom kan dit ook voor de van deze boomsoorten afhankelijke diersoorten problemen veroorzaken.

Criteria voor autochtoon uitgangsmateriaal

Tegenwoordig zijn autochtone bomen en struiken voornamelijk nog te vinden op oude bosplaatsen, in houtwallen, langs holle wegen en aan de oevers van niet vergraven beken. Dat een boom of struik autochtoon is kan vrijwel nooit met zekerheid aangetoond worden. Wel zijn er enkele criteria die gebruikt worden om vast te stellen of het waarschijnlijk is dat het om autochtoon materiaal gaat.

Van de volgende criteria hebben de eerste vier betrekking op de plant en de overige op de groeiplaats:

  1. het gaat om wilde soorten of variëteiten en niet om cultivars (vaak te zien aan bladvorm of bloeiwijze) het betreft oude bomen of oud hakhout
  2. de boom of struik maakt een spontane en niet-aangeplante indruk (niet in rijen geplant)
  3. DNA-onderzoek ondersteunt het autochtone karakter
  4. de groeiplaats ligt binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort
  5. het betreffende landschapselement (bos, houtwal en dergelijke) staat al aangegeven op de topografische kaarten uit 1830-1850 (1:50.000)
  6. de groeiplaats stamt ecologisch overeen met de natuurlijke standplaats van de soort en maakt een natuurlijke en ongestoorde indruk (bodemprofiel niet vergraven)
  7. er komen soorten voor die indicatief zijn voor oude bosplaatsen of houtwallen
  8. in de omgeving komt de soort op meerdere vergelijkbare groeiplaatsen voor en/of uit paleobotanisch onderzoek komen indicaties over het voorkomen ter plaatse in het verleden
Deze criteria gaan zelden allemaal tegelijkertijd op. Op verarmde groeiplaatsen kunnen indicatieve planten, zoals winterlinde, tweestijlige meidoorn, adelaarsvaren, eenbes en bosanemoon ontbreken. Ook zijn er bijvoorbeeld niet altijd oude exemplaren. Niet van alle soorten is het DNA onderzoek zo ver gevorderd dat hieruit conclusies zijn te trekken. Overigens kan archiefonderzoek en gesprekken met mensen ter plaatse waardevolle extra informatie opleveren.
De mate van zekerheid omtrent autochtoon uitgangsmateriaal is sterk afhankelijk van de soort. Bij oude hakhoutvormen, zoals bij Fraxinus excelsior (gewone es), Ulmus laevis (steeliep) en Alnus glutinosa (zwarte els) is de zekerheid bijvoorbeeld groot. Ook van zomer- en wintereik is - aan de hand van internationaal onderzoek naar migratieroutes - vast te stellen of een herkomst als autochtoon aangemerkt kan worden. Bes- en botteldragers zoals wilde lijsterbes, ribessoorten en rozensoorten daarentegen worden gemakkelijk verspreid door vogels, waardoor de herkomst onduidelijk kan zijn. Dit geldt ook voor windverspreiders als berken, populieren en wilgen.

Voor het toepassen van de criteria is daarom gekozen voor een praktische oplossing, waarbij de criteria in samenhang met verstand en redelijkheid zijn gebruikt. In overleg met deskundigen op het gebied van autochtone herkomsten is voor alle mogelijke autochtone herkomsten bepaald of deze aan voldoende kenmerken voldoen om deze als autochtoon aan te duiden.

Opname in de Rassenlijst

De autochtone herkomsten worden aanbevolen in de categorie ‘van bekende origine’. Wanneer een autochtone herkomst voldoet aan de criteria van één van de overige categorieën (‘geselecteerd’ of ‘getest’ bijvoorbeeld), dan wordt deze hierin geplaatst met vermelding dat het oorspronkelijke karakter van de opstand autochtoon is. Zowel bomen als struiken zijn opgenomen, omdat het bij de aanleg van autochtone beplantingen ook voor de onder begroeiing van belang is om autochtoon uitgangsmateriaal te gebruiken. Er is tot nu toe nog maar een beperkte inventarisatie van Nederlandse autochtone bomen en struiken gehouden. Naar schatting is iets meer dan de helft van het aantal kansrijke groeiplaatsen nu geïnventariseerd. Van de opgenomen soorten zijn alleen die herkomsten opgenomen die voldoende geïnventariseerd zijn. Bij de keuze van deze herkomsten hebben verder de volgende overwegingen een rol gespeeld:

  • Er moet voldoende zaad geoogst kunnen worden. Hiervoor moet de herkomst goed bereikbaar en goed oogstbaar zijn.   
  • Om ongewenste vermenging met vreemd stuifmeel tegen te gaan is het belangrijk, dat een autochtone herkomst voldoende omvang heeft, daarom is er gekozen voor herkomsten die uit minimaal 30 individuen bestaan.
  • De populatie, waaruit de herkomst bestaat, moet ook voldoende groot zijn uit het oogpunt van genetische diversiteit. De genetische diversiteit dient voldoende divers te zijn om inteelt te voorkomen. Restpopulaties van minder dan 30 individuen zijn ook om deze reden niet opgenomen.