Corylus avellana

Gewone hazelaar, Hazelaar (geen richtlijnsoort)
Natuurlijk verspreidingsgebied
De gewone hazelaar komt van nature voor in Europa, met uitzondering van het hoge noorden, en West-Azië. De soort is inheems in Nederland en is al sinds de Oudheid in cultuur.
Morfologie
De gewone hazelaar is een hoge opgaande struik of meerstammige boom van meestal 6 à 8 m hoogte. De stam en takken hebben een gladde bruine afschilferende schors en met stijve haartjes bedekte jonge twijgen en bladstelen. De tot 7 à 14 cm lange bladeren zijn rond tot ovaal met een dubbelgetande bladrand en een hartvormige voet en een 2-4 cm lange bladsteel. De bladbovenzijde is dofgroen. De nerven aan de onderzijde van de bladeren zijn bedekt met witte haartjes. De bloemen verschijnen in de periode januari-april vóór het uitlopen van de bladeren. De ca. 8 cm lange mannelijke katjes zijn hangend en zitten in groepen van 1-4. Vrouwelijke katjes zijn rechtopstaand, knopachtig met uitstekende roodgekleurde stijlen. De spits eironde, 1,5-2 m lange eetbare noten zijn bruin en omhuld door een bekervormig, uit 2 gescheiden bladeren bestaand, onregelmatig ingesneden, omhulsel dat ongeveer even lang is als de noot maar deze tot ongeveer de helft geheel omsluit.
Belangrijkste toepassingen
De soort is al eeuwenlang in cultuur vanwege zijn noten. De hiervoor geschikte rassen zijn beschreven in de Rassenlijst voor groot-fruitgewassen. Vroeger werd de soort veel geëxploiteerd voor brandhout en geriefhout. Door zijn groot herstelvermogen is hij geschikt als hakhout. De soort komt algemeen voor in loofbossen, kreupelhout en hagen en is geschikt voor landschappelijke beplantingen, voor houtwallen en als onderbeplanting in bosbeplantingen. Als sierstruik worden in parken en tuinen doorgaans cultuurvariëteiten gebruikt met een afwijkende habitus of bladkleur- of vorm.
Groeiplaats
De soort geeft de voorkeur aan een redelijk zonnige standplaats, maar kan vrij veel schaduw verdragen. De zaadproductie is dan echter geringer. De boom neemt genoegen met vele bodemtypen, maar stelt betrekkelijk hoge eisen aan de vruchtbaarheid en vochtleverend vermogen van de bodem. M.b.t. de zuurgraad van de bodem zijn de eisen minder hoog, maar al te zure bodems (pH-KCl < 3,5) worden niet meer verdragen. De soort is gevoelig voor zoute wind en voor strooizout.
Ziekten en plagen
Van de in Nederland voorkomende aantastingen zijn vooral die van de rondknopmijt en de hazelnootboorder soms van belang, afhankelijk van het gebruiksdoel van de boom.