Populus trichocarpa

Balsempopulier, Westamerikaanse balsempopulier, witte balsempopulier, Balsem populier (richtlijnsoort)
Natuurlijk verspreidingsgebied
P. trichocarpa is komt van nature voor in het westen van Noord Amerika en Canada, ten westen van de Rocky Mountains, van Alaska tot Zuid Californië. Hij is in 1889 in Duitsland en rond 1900 in Nederland ingevoerd. Als soort komt hij in Nederland nauwelijks voor; doorgaans maakt men gebruik van rassen van de soort.
Morfologie
Populus trichocarpa kan 20 tot 30 m hoog worden met een rechte stam, een doorgaande spil en een zeer sterke groei, zowel in de jeugd als op half-volwassen leeftijd. Karakteristiek zijn de welriekendheid van de hars die de boom afscheidt uit de talrijke harsklieren op de knoppen en (jonge) bladeren en de vorming van waterlot op het onderste gedeelte van de stam bij de oudere bomen. In de jeugd hebben ze een smalle piramidale kroonvorm met een lange topscheut. Op hogere leeftijd vergaffelt de stam en heeft de boom een onregelmatige, brede ronde, open kroon met opgaande, in kransen staande takken. De bast van de stam is aanvankelijk glad en groengeel; later afschilferend ruw en donker groengrijs met ondiepe groeven. De twijgen zijn hoekig en grijsbruin behaard, later doorgaans kaal met enigszins gekromde, aanliggende, spitse glanzend roodbruine, 1 cm lange knoppen en een 3 cm lange, spitse, eindelingse knop. De bladeren zijn vrij groot (9-14 cm, soms 10-30 cm) en langwerpig driehoekig tot afgespitst eirond van vorm met een afgeronde of zwak hartvormige bladvoet, een fijn gezaagde bladrand en een 3-6 cm lange, stevige, behaarde bladsteel. De grootste bladeren bevinden zich in de top van de kroon en aan het einde van de groeischeuten. De bovenzijde is groen, de onderzijde grijsgroen tot wit met een bruingroene netvormige dooradering van de bladnerven. Het blad loopt vroeg uit (vanaf begin april) en heeft dan een geelgroene, soms bruingroene kleur. De herfstkleur is egaal geel en opvallend vanwege de witte bladonderzijde. De katjes van de mannelijk bomen zijn 8 x 1,5 cm lang, dof karmozijnrood van kleur en verschijnen reeds vóór het uitlopen van het blad en vallen vaak al vóór de bloei van de boom af. De katjes van de vrouwelijke bomen zijn kleiner, groen van kleur en hebben minder bloemen. De met wit wollig pluis bedekte vruchtjes komen vrij in mei.
Belangrijkste toepassingen
Rassen van P. trichocarpa worden vooral toegepast in bossen als productiebeplanting, waarbij de rassen als regel worden vermeerderd door winterstek. Incidenteel komt hij voor in het stedelijk gebied, doorgaans als solitair in parken en overhoeken. In bermen langs wegen is hij minder geschikt vanwege de oppervlakkige wortelvorming (schade aan de verharding), de vorming van wortelopslag, vooral na verwonding van het wortelstelsel, de vorming van waterlot op de stam en de neiging tot takbreuk. De soort verdraagt snoei slecht (bloeden en insterving van de randen van snoeiwonden).
Groeiplaats
De soort is enigszins schaduwverdragend en prefereert vruchtbare, voldoende vochtleverende gronden en gedijt beduidend slechter op minder optimale omstandigheden en is zeer droogtegevoelig. Hij heeft een specifieke voorkeur voor een bodem met een neutrale zuurgraad. Zure bodems worden slecht verdragen en op basische bodems kan kalkchlorose optreden. Tijdelijk waterstagnatie wordt goed verdragen. De soort is gevoelig voor vorst en voor sterke temperatuurwisselingen in de winter. Gevoelig tot zeer gevoelig voor harde wind en zoute wind. Eveneens gevoelig voor strooizout.
Ziekten en plagen
De soort is gevoelig voor roest, maar de gevoeligheid is, evenals die voor Marssonina (waarvoor de soort minder gevoelig is) en bacteriekanker, sterk wisselend per individu of ras.