Prunus spinosa

Sleedoorn (geen richtlijnsoort)
Natuurlijk verspreidingsgebied
Het natuurlijke verspreidingsgebied van sleedoorn omvat het overgrote deel van Europa en het Middellandse Zeegebied (met uitzondering van Kreta).
Morfologie
Prunus spinosa is een gedoornde struikvan 4-6 m hoogte, die veel worteluitlopers vormt waarmee hij zich uitbreidt. De schors is bruin-zwart. De stammen vormen veel takken die zelf ook weer sterk zijn vertakt. Aan de fijnbehaarde twijgen zitten de omgekeerd eironde tot elliptische, getande bladeren van 2-4,5 cm lengte, met een wigvormige voet en een bladsteel van ca. 1 cm lengte. De bovenzijde is matgroen en glad, de bladnerven aan de wat lichter geleurde onderzijde zijn soms donzig behaard. De witte bloemen met 5-8 mm lange kroonbladeren en een bloemsteel van ca. 0,5 cm lengte zijn okselstandig, meestal alleenstaand. De bloei is vrij vroeg (maart-april) en bloemen verschijnen doorgaans vóór het uitlopen van de bladeren. De 1 à 1,5 cm grote, ronde tot ellipsvormige, grijs berijpte vruchten verkleuren gedurende het groeiseizoen van blauw naar zwart. Soms komt hybridisatie voor met kroosjes (P. domestica subsp. insititia).
Belangrijkste toepassingen
Sleedoorn wordt veel aangetroffen in kreupelhout langs ondermeer de uiterwaarden van het rivierengebied. Hij wordt vermeerderd uit zaad en wortelopslag en is geschikt voor landschappelijke beplantingen en bosranden, houtwallen, singels en in hagen. De wrangzure vruchten worden in sommige landen gebruikt voor de bereiding van vruchtengelei en likeuren.
Groeiplaats
Prunus spinosa komt voornamelijk voor in hagen, houtwallen en bosranden. De soort geeft de voorkeur aan rijkere, niet natte bodemtypen en prefereert een zonnige en enigszins beschutte standplaats en een zwak zure tot licht kalkhoudende bodem (pH-KCl 4,5-6,5).
Ziekten en plagen
Soms vindt aantasting plaats door de meidoornspinselmot (Yponomeuta padellus). Ook kan bladvraat optreden door rupsen van de sleedoornpage (Thecla betulae), een dagvlinder die gespecialiseerd is in de sleedoorn en daarop voornamelijk zo niet uitsluitend voorkomt. Deze ontwikkelt zich echter niet tot een plaag en is vooral in ecologisch opzicht interessant (vanwege zijn specialisatie).