Clematis vitalba

Bosrank (geen richtlijnsoort)
Natuurlijk verspreidingsgebied
Clematis vitalba is een soort die in Nederlands inheems is en plaatselijk vrij algemeen in het wild voorkomt (o.a. Limburg en het duingebied) als overjarige klimplant in bossen, struwelen en housingels. Het natuurlijke verspreidingsgebied van de bosrank strekt zich uit over Zuidwest Azië en Zuid- en Midden-Europa tot Noord Duitsland en midden Engeland en oostelijk tot aan de Kaspische zee. Momenteel is de soort ook ingeburgerd in sommige regio's in Noord-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland.
Morfologie
De bosrank is een overjarige, houtige en bladverliezende klimplant die een hoogte kan bereiken tot meer dan 30 meter met stengels die tot 6 cm dik kunnen worden. Uit de steel ontwikkelen zich naast de bladeren ook ongebladerde draadvormige structuren die vergelijkbaar zijn met die van een druivenplant en waarmee de plant zich rond andere planten of voorwerpen kan winden. Ook kan de plant zich soms als een liaan rond voorwerpen slingeren. De stengel heeft een strogele tot lichtbruine, vezelige en geribde schors. De zijtwijgen staan ongeveer haaks op de hoofdtwijg. De tegenoverstaande, bladeren zijn samengesteld uit 3 of 5 bleekgroene, lang gesteelde 3 tot 5 cm grote deelbladen met een vorm die varieert van eirond tot hartvormig, grof gekarteld en spits toelopend. De bladsteel is vaak gebogen. De witte, 2 tot 3 cm grote bloemen staan bijeen in grote pluimen aan het einde van de stengels of in de bladoksels. Ze zijn omgeven door 4, ca 1 cm grote, afstaande, aan de top achterover gerolde dekbladen die aan de binnenzijde wit zijn en aan beide zijden viltig behaard. Tijdens de bloei verspreiden ze een enigszins onaangename geur. Tijdens de vruchtzetting groeien de stijlen uit tot lange draden die de pluim een baardachtig karakter geven. In Engeland staat de plant daarom ook bekend onder de naam Old man's beard en in Nederland onder de naam Duivelsgaren. De bloemen bloeien in de periode mei-juli en worden bestoven door bloembezoekende insecten. De vruchten zijn dopvruchten die zijn voorzien van tot 4 cm lange, zilverwit behaarde "snavel".
Belangrijkste toepassingen
Generatief vermeerderd materiaal van de soort wordt, voorlopig nog op bescheiden schaal, toegepast in landschappelijke en natuurlijke beplantingen van enige omvang. Kleinere elementen kunnen er snel door worden overwoekerd. Het sap van de plant is giftig. Hij is een drachtplant voor bijen.
Groeiplaats
De soort komt voor, in heggen, struikgewassen, bosranden en in lichte loofbossen op diverse grondsoorten (löss, lichte klei, zand). Hij prefereert een enigszins kalkhoudende, niet al te natte grond. De eisen die worden gesteld aan de vochtleverantie en bodemvruchtbaarheid zijn gering. De soort groeit nog redelijk goed op vochtige bodems, maar langdurige waterstagnatie wordt minder goed verdragen. De soort is in Nederland winterhard. Hij is redelijk tolerant voor zoute wind en komt dan ook regelmatig voor in duindoorn- en ligusterbeplantingen in het duingebied. De plant verdraagt geen zware schaduw en groeit het beste op zonnige plaatsen.
Ziekten en plagen
Er zijn geen belangrijke ziekten en plagen bekend die beperkend zijn voor het gebruik van de soort.