Sambucus nigra

(gewone) Vlier (geen richtlijnsoort)
Natuurlijk verspreidingsgebied
Het natuurlijk verspreidingsgebied van de gewone vlier strekt zich uit over een groot gedeelte van Europa (vanaf het Middellandse Zeegebied tot zuid Scandinavië en de Oekraïne tot aan de Kaukasus). Momenteel is de soort ook ingeburgerd in Noord-, midden en Zuid-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland. De peterselievlier die men soms ook aantreft in het wild is de verwilderde cultivar Laciniata van de gewone vlier.
Morfologie
Het is een bladverliezende, doorgaans meerstammige struik die een hoogte kan bereiken van 4 -6 (soms tot 10) meter. De stam heeft een grijsbruine, diep gegroefde en enigszins kurkachtige schors. De jonge, makkelijk breekbare, takken zijn rond en gevuld met wit merg. De 10 - 30 cm lange, tegenoverstaande, geveerde bladeren zijn vrij dofgroen van kleur en bestaan uit 5 tot 7 langwerpig-ovale, spits toelopende, 5 tot 12 cm lange fijn getande blaadjes. De plant is eenhuizig, met tweeslachtige bloemen. De bloemen staan bijeen in schermvormige pluimen van 10 - 25 cm doorsnede die zich aan het einde van de takken ontwikkelen. De 0,5 - 0,6 grote bloempjes zijn wit, stervormig met vijf bloemblaadjes en gele helmknoppen. Ze hebben een vrij sterke, karakteristieke geur en bloeien in de periode mei-juli. De bloemen worden bestoven door vliegen. De vrucht zijn steenvruchten, c.q. 4 -5 mm grote, ronde bessen met een rode en later een zwarte kleur. Ze zijn rijp in september en vormen een belangrijke voedselbron voor veel volgelsoorten. Het sap is paarsrood en zurig van smaak. Verspreiding van de zaden gebeurt vooral door vogels, zoals spreeuwen.
Belangrijkste toepassingen
Van de soort bestaat een aantal cultuurvariëteiten die vegetatief worden vermeerderd en vooral vanwege hun afwijkende bladvorm en kleur (rood, geel of bontbladig) of kleur van de bessen worden toegepast als sierstruik in tuinen en plantsoenen. Generatief vermeerderd materiaal van de echte soort wordt toegepast in landschappelijke en natuurlijke beplantingen. De bessen worden gebruikt voor het maken van jam, sappen, limonades en sterke dranken. Sommige rassen zijn geselecteerd (en doelgericht aangeplant) om de constant goede kwaliteit van de bessen. De bloesem wordt in gedroogde vorm soms gebruikt voor het maken van thee of siroop. Door het brede mergkanaal, waaruit het merg betrekkelijk gemakkelijk te verwijderen is werden de takken van de struik vroeger ook wel gebruikt voor het maken van eenvoudige fluiten (vlierfluiten) of bepaalde gereedschappen en gebruiksvoorwerpen.
Groeiplaats
De soort komt algemeen voor op allerlei grondsoorten en bodemtypes, in heggen, struikgewassen, bosranden en in lichte loofbossen, vaak op gestoorde gronden, zoals kapvlaktes, aanspoelgronden, oude muren, stortplaatsen, etc. Soms is de soort aangeplant (o.a. in houtsingels). De eisen die worden gesteld aan de vochtleverantie zijn betrekkelijk laag. De soort heeft een vrij ondiep groeiend wortelstelsel. Hij groeit nog redelijk goed op natte bodems, maar langdurige waterstagnatie wordt minder goed verdragen. V.w.b. de bodemvruchtbaarheid groeit de soort het beste op enigszins kalkhoudende gronden met een hoge stikstofleverantie. De soort is matig bestand tegen wind, zeewind en zout (in de bodem) en is in Nederland winterhard. De plant verdraagt geen zware schaduw en groeit het beste op zonnige plaatsen.
Ziekten en plagen
Er zijn geen belangrijke ziekten en plagen bekend die beperkend zijn voor het gebruik van de soort.