Sambucus racemosa

Trosvlier (geen richtlijnsoort)
Natuurlijk verspreidingsgebied
In Europa kwam de soort oorspronkelijk alleen voor in Zuid- en Midden-Europa, maar de struik heeft zich in de laatste eeuwen uitgebreid naar de landen rondom de Noordzee en de Oostzee. De soort komt in Midden-Europa vooral voor in bergen. De soort is in Nederland inheems en komt van nature voor in het zuiden van het land.
Morfologie
De struik kan een hoogte bereiken van maximaal 4-6 meter. De stam heeft een grijsbruine schors en de oudere delen van de schors zijn gescheurd en roodbruin. De jonge, makkelijk breekbare, takken zijn rond en gevuld met bruin merg. De bladeren lijken sterk op die van de gewone vlier, alleen de top is iets meer uitgerekt. De 10 - 30 cm lange, tegenoverstaande, geveerde bladeren zijn vrij dofgroen van kleur en bestaan uit 5 tot 7 langwerpig-ovale, spits toelopende, 5 tot 12 cm lange getande blaadjes. De bloemen staan bijeen in bolvormige of eivormige trossen, zijn 3-6 cm breed en groeien aan korte zijtakjes. De bloemen bloeien in de eerste helft van de lente. De kleine bloemen zijn geelwit tot groengeel van kleur. De ronde bessen van 4 -5 mm zijn vuurrood van kleur. Verspreiding van de zaden gebeurt vooral door vogels, zoals spreeuwen.
Belangrijkste toepassingen
De trosvlier kan worden gebruik in landschappelijke en natuurlijke beplantingen. De soort wordt vermeerderd via zaad of stek. Van de soort bestaat een aantal cultuurvariëteiten. Deze zijn geselecteerd op de intense bladverkleuringen of bijzondere bladvormen, zoals een peterselievormig blad. Deze soorten worden toegepast in tuinen en plantsoenen.
Groeiplaats
Trosvlier groeit op zure zand-, leem- en veenbodems. Hij groeit op lichte plaatsen in bossen of bosranden en vooral op kap-, brand- en stormvlakten die al enige jaren braak liggen. De trosvlier produceert goed afbreekbaar bladafval, zodat de soort als ‘bodemverbeteraar’ geldt.
Ziekten en plagen
Er zijn geen belangrijke ziekten en plagen bekend die beperkend zijn voor het gebruik van de soort.