Carpinus betulus

Haagbeuk (richtlijnsoort)
Natuurlijk verspreidingsgebied
Van nature komt C. betulus voor in midden Europa, delen van zuidelijk Europa en oostwaarts tot in Klein-Azië en Iran. In Nederland komt de soort oorspronkelijk alleen voor in het oosten van ons land.
Morfologie
Op voedselrijke gronden kan de boom een hoogte van 25-30 m bereiken, op droge gronden vaak niet meer dan 15 m Een solitaire boom vormt een dichte, ronde kroon zonder doorgaande spil met op latere leeftijd uitzakkende takken. In bosverband ontstaat een veel ijlere kroon en op droge gronden vaak een meerstammige vorm. De vaak kromme stammen hebben een typisch oppervlak vol plooien en op latere leeftijd grijze ribben. De takken hebben een gladde en grijze bast. De bomen hebben een hartvormig wortelstelsel. Het verspreid staande blad verschijnt in april-mei. Het is 5-8 cm lang en eivormig-elliptisch, en een dubbel gezaagde bladrand. De herfstkleur is geel tot geelbruin. Van gesnoeide hagen en bomen blijft een deel van het verdorde blad vrijwel de gehele winter aan boom of struik zitten. De haagbeuk bloeit in april-mei vanaf ca. 15 jarige leeftijd. De mannelijke, kleine, groenbruine bloemen zijn gegroepeerd in hangende 4-5 cm lange katjes die uit de zijknoppen van de één jaar oude twijgen komen. Aan het einde van de twijgen bevinden zich de vrouwelijke, groene, 2-3 cm lange katjes. De vruchten zijn kleine, 7-10 mm lange, platte, eivormige nootjes. De vruchten rijpen in oktober, die in trossen aan de bomen hangen.
Belangrijkste toepassingen
Generatief vermeerderd plantmateriaal wordt in bossen en landschappelijke beplantingen als vulboomsoort gebruikt. De soort kan zeer goed als haag worden gesnoeid. Snoeien in het voorjaar kan soms bloeden tot gevolg hebben. Grote haagbeuken kunnen slecht tegen verplanten. Het grijswitte, harde hout is taai en slijtvast en wordt op beperkte schaal gebruikt in de technische industrie, voor hakblokken, gereedschappen en parket.
Groeiplaats
C. betulus is vooral in het jeugdstadium gevoelig voor zonbestraling van de bast en wordt daarom altijd als 'beveerde' spil geplant. De schaduw verdragende soort stelt hoge eisen aan het vochtleverend vermogen van de grond en is zeer gevoelig voor hoge en stagnerende grondwaterstanden. C. betulus prefereert een voedselrijke lemige bodem, maar neemt met minder rijke gronden genoegen. De soort is gevoelig voor strooizout en zeewind.
Ziekten en plagen
C. betulus heeft weinig last van ziekten en plagen.