Prunus padus

Vogelkers (geen richtlijnsoort)
Natuurlijk verspreidingsgebied
De soort komt oorspronkelijk binnen geheel Europa en het noordelijk deel van Azië tot aan Korea en Japan voor. Vogelkers komt van nature in Nederland voor.
Morfologie
De vrij snelgroeiende, meerstammige struik of boom heeft een vrij ijle open kroon met overhangende twijgen. Hij kan 8 tot15 m hoog worden, soms tot 20 m De stam is vrij glad en grijsbruin van kleur; de twijgen zijn roodbruin. Het 6-12 cm lange, rimpelige, blad is onvolledig ellipsvormig door de onregelmatige toespitsing van de top. Het is aan de bovenzijde matgroen en aan de onderzijde blauwgroen. De bloei begint eind april na het verschijnen van de bladeren en duurt tot midden mei. De witte, geurende bloemen staan in enigszins opstaande of hangende, ruim 10 cm lange trossen bijeen. De ronde, glanzende, zwart gekleurde, kleine vruchten bevatten een gegroefde pit. Onder natuurlijke omstandigheden vormt de plant worteluitlopers en afleggers ("opslag").
Belangrijkste toepassingen
Vegetatief (uit wortelopslag) of generatief vermeerderd plantmateriaal wordt gebruikt als vulboomsoort in bosranden en landschappelijke beplantingen.
Groeiplaats
De soort prefereert onbeschaduwde standplaatsen met vochtleverende en vochtige, voedselrijke gronden, maar groeit ook goed op natte gronden en verdraagt meer schaduw dan de meeste prunussoorten. Hij verdraagt wat zuurdere gronden beter dan de meeste andere Prunussoorten, maar op kalkrijke bodems kan daarentegen enig mangaan- of ijzergebrek optreden. De soort is gevoelig voor wind, zeewind en strooizout.
Ziekten en plagen
Van de veel voorkomende aantastingen is die van de vogelkersstippelmot (Yponomeuta evonymellus), die de struiken geheel kan kaalvreten, het meest opvallend. Soms treedt ook kaalvraat op door andere insecten (rupsen). Een vrij kenmerkende aantasting voor de vogelkers zijn de door de vogelkersheksenbezem (Taphrina padi) veroorzaakte vruchtgallen. Overige aantastingen komen niet in specifieke mate voor.