Quercus cerris

Moseik, Turkse eik (richtlijnsoort)
Natuurlijk verspreidingsgebied
Q. cerris komt van oorsprong voor in het zuiden van Midden-Europa, Zuid-Europa en Klein-Azië. De soort is al twee en een halve eeuw in Engeland in cultuur en dankt zijn naam aan de napjes die eruit zien alsof ze met mos begroeid zijn.
Morfologie
De snel groeiende, 25 tot 30 m hoge boom heeft een doorgaande stam met een ondiepe, zeer donkere schors, vaak met vorstscheuren. De losse en breed kegelvormige kroon heeft afstaande zware takken en in het jeugdstadium vaak een hangende top. Op latere leeftijd verdwijnt het spitse karakter van de top en wordt deze meer afgerond. Kenmerkend voor de soort zijn de draadvormige steunblaadjes rondom de knoppen die niet afvallen. Het donkergroene blad verschijnt in de maanden april-mei. Het heeft een 2-3 cm lange steel en is zeer variabel van vorm met 4-9 paar diepe of ondiepe lobben, die al dan niet genaald zijn. De eikel is voor de helft omgeven door het typische mosachtige napje. De eikels rijpen in het tweede jaar na de bloei.
Belangrijkste toepassingen
In het stedelijk gebied voor brede straten, lanen, parken en plantsoenen. De gevoeligheid van de stam voor vorst en de daarmee gepaard gaande vorstscheuren heeft tot gevolg dat deze soort in ons land voor de houtteelt niet bruikbaar is.
Groeiplaats
Q. cerris stelt geringe eisen aan de bodem en verdraagt verharding. Verder is hij weinig gevoelig voor wind, zeewind en strooizout. De soort verdraagt echter schaduw slecht; bij strenge vorst is er kans op vorstscheuren in de stam.
Ziekten en plagen
De soort heeft weinig of geen last van meeldauw maar is aantrekkelijk voor luizen, wat vaak honing- en roetdauw tot gevolg heeft.