Quercus rubra

Amerikaanse eik (richtlijnsoort)
Natuurlijk verspreidingsgebied
Q. rubra komt van oorsprong uit de gemengde loofboombossen in het oostelijke deel van Noord-Amerika en is daar bekend onder de naam Red Oak. De soort wordt al sinds het midden van de achttiende eeuw in Europa geteeld. In Nederland is de soort vanaf circa 1825 in gebruik.
Morfologie
Quercus rubra groeit snel en kan onder Nederlandse omstandigheden een maximale hoogte bereiken van25 tot 30 m. De zeer open, brede, en vaak iets afgeplatte kroon heeft zware, tamelijk rechte, wijd uitstaande takken. De stamvorm in de kroon is nogal wisselend; in bosopstanden veelal goed doorgaand, maar in vrije stand komt vaak opsplitsing in enkele gelijkwaardige takken voor. De grijze bast is vrij glad, soms licht gegroefd en ook wel wrattig. De twijgen zijn kaal en wrattig, glimmend rood-bruin, later grijzig en dof glimmend met donkerrode tot bruine, spitse knoppen. De bladsteel is 2-5 cm lang. De 15-20 cm lange en 10-15 cm brede bladeren zijn tot halverwege ingesneden met aan weerszijde 4-10 puntige lobben. In de herfst kleurt het blad afhankelijk van de temperatuur mooi oranje tot purperrood of slechts bruin. De soort bloeit in mei. De zittende of kort gesteelde, 2-2,5 cm lange, cilindrische tot eivormige eikel heeft een duidelijk scherpe punt en wordt aan de voet door een schotelvormig napje omgeven. De eikels rijpen in het tweede najaar na de bloei en kiemen pas na een koudeperiode.
Belangrijkste toepassingen
In landschappelijke beplantingen en in het stedelijk gebied voor brede straten, lanen, parken en plantsoenen. In bossen is de Amerikaanse eik in het verleden op grote schaal gebruikt, grotendeels als onderplanting maar ook wel als opgaande soort. Deze soort heeft een zeer groot herstelvermogen en laat zich daardoor zeer goed verjongen door afzetten op stobbe. De opslag na afzetten groeit snel en breed uit waardoor de soort zeer sterk concurreert en andere soorten kan verdringen. Het hout is van goede kwaliteit, maar is minder duurzaam en grover van structuur dan het hout van de zomereik. Het kernhout is roodbruin van kleur, hard en taai. Q. rubra wordt alleen via zaad vermeerderd.
Groeiplaats
Q. rubra prefereert humus- en leemhoudende, goed doorwortelbare, niet te droge gronden, maar groeit ook nog zeer goed op arme, droge gronden. De soort is niet geschikt voor gronden met een hoge zuurgraad en kleigronden. Q. rubra kan enige schaduw verdragen en is voor andere boomsoorten een geduchte vochtconcurrent. De soort is gevoelig voor wind en zeewind. Hij is winterhard, maar enigszins gevoelig voor late voorjaarsnachtvorst.
Ziekten en plagen
Weinig tot niet gevoelig voor meeldauw. De boom wordt aanmerkelijk minder dan de zomer- en wintereik aangetast door bladetende insecten zoals de grote en kleine wintervlinder en de eikenprocessierups, en bastboorders zoals de eikenspintkever en de eikenprachtkever.