Rassenlijst Bomen toelichting tabellen

Toelichting op tabellen

Hoe worden beschrijvingen en tabellen gelezen?

Geslacht- en soortbeschrijvingen

De geslachten en soorten zijn doorzoekbaar op zowel de Nederlandse als de wetenschappelijke naam. Per geslacht en soort wordt informatie gegeven over het natuurlijke verspreidingsgebied, de morfologie, belangrijkste toepassingen, groeiplaats, ziekten en plagen. Een gepaste soortkeuze kan verhinderen dat er problemen optreden met ziekten en insectenplagen. Nu hoeven insecten niet altijd tot plagen te leiden. Het bijdragen aan de biodiversiteit kan ook bepalend zijn in de soortkeuze. Insecten zijn ook een voedselbron voor vogels en andere predatoren en verhogen daarmee de biodiversiteit.

Rasbeschrijvingen

In de rasbeschrijvingen zijn de voor de teelt en het gebruik van belang zijnde eigenschappen beschreven: ontstaan, morfologie, belangrijkste toepassingen,  geslacht, ziekten en plagen. Hierdoor zijn de rassen onderling goed met elkaar te vergelijken.

Tabellen met toegelaten uitgangsmateriaal

Elke soort wordt afgesloten met een tabel waarin per soort de toegelaten herkomsten en rassen zijn opgenomen.
In de rassenlijst mag volgens de EU Richtlijn 1999/105/EG uitgangsmateriaal opgenomen worden bestemd voor vier categorieën teeltmateriaal: getest, gekeurd, geselecteerd en van bekende origine.

Per soort worden toegelaten herkomsten en rassen gerangschikt volgens een vast patroon van type uitgangsmateriaal en categorieën:

•    zaadgaarden, getest uitgangsmateriaal (ZT);
•    zaadgaarden, gekeurd uitgangsmateriaal (ZQ);
•    opstanden, getest uitgangsmateriaal (T);
•    opstanden, geselecteerd uitgangsmateriaal (S);
•    opstanden, uitgangsmateriaal van bekende origine (SI).
•    klonen, getest uitgangsmateriaal (KT)
•    klonen, gekeurd uitgangsmateriaal (KQ);
•    buitenlandse zaadgaarden, gekeurd uitgangsmateriaal
•    buitenlandse herkomsten, geselecteerd uitgangsmateriaal
•    buitenlandse herkomsten, van bekende origine

Binnen iedere categorie staan de herkomsten in alfabetische volgorde van hun herkomstnaam. Niet altijd zijn alle tabellen aanwezig, omdat er soms geen herkomsten van de betreffende categorie zijn opgenomen.

De kolommen in de tabel worden hieronder nader toegelicht:

1.    Herkomstnaam/code

De Nederlandse herkomsten zijn gekenmerkt door een codenummer en een naam. Dit levert informatie over categorie en plaats van herkomst van het materiaal, bijvoorbeeld Pinus sylvestris L.: codenummer: NL.S.3.1.02-03 naam: Ossendrecht-03, waarin:

NL= Herkomstgebied
S= Categorie (geselecteerd)
3= Gebiedsdeel
1= District
02= Herkomstnaam
03= Individuele opstand

» Topografisch kaartje van Nederland voor de zaadwinning in de rassenlijst

2.    Beheerseenheid

De beheerseenheid levert informatie betreffende: namen van boswachterijen; vaknummers waar de opstanden gelegen zijn; straatnamen indien het laan-beplantingen betreft met kilometerpaalnummers en/ of huisnummers waar begin en eind van de opstand te vinden is, in enkele gevallen met de opmerking ‘alleen gemerkte bomen’.

3.    Locatie

De exacte plaatsaanduiding (locatie) van de herkomst wordt gegeven zowel in geografische graden en minuten Noorderbreedte en Oosterlengte als in coördinaten volgens de Rijksdriehoeksmeting, zoals deze te vinden zijn op de kaarten van de Topografische Dienst.

4.    Hoogteligging

De hoogteligging van de opstand wordt in meters aangegeven. Materiaal van hoger gelegen herkomsten hoeft niet op voorhand geschikt te zijn voor lager gelegen aanplantingen. Tot 300 meter hoogteverschil hoeft dit verschil niet tot problemen te leiden indien de oorsprong en de plantplaats op vrijwel dezelfde locatie liggen of in elk geval minder dan 100 kilometer van elkaar af liggen. In Nederland komen geen opstanden voor op 300 meter of hoger, maar aangezien in deze Rassenlijst ook aanbevelingen worden gedaan met betrekking tot opstanden en zaadgaarden in Duitsland en België is dit een relevant gegeven. In Duitsland worden geen opstanden aanbevolen die op hoogtes liggen boven de 200 meter, aangezien dit door de verder naar het oosten gelegen ligging (landklimaat) veelal materiaal betreft dat aan andere klimaateisen is aangepast. Voor België wordt een grens aangehouden van 500 meter, aangezien deze herkomsten veel verder naar het zuiden liggen dan de eventuele plantplaats in Nederland. Globaal kan voor elke 100 kilometer verplaatsing naar het zuiden namelijk 100 meter hoogteverschil bijgeteld worden. Bij de overige buitenlandse herkomsten die in ons land in vergelijkende proeven zijn getest wordt dit onderscheid niet gemaakt, aangezien de testresultaten hebben aangegeven dat dit materiaal goed blijkt te voldoen in Nederland. Dit materiaal is in veel gevallen afkomstig uit gebieden ver weg van ons land waarbij testresultaten van meer doorslaggevende betekenis zijn dan wetmatigheden.

5.    Oppervlakte

De oppervlakte van de opstanden wordt in hectares weergegeven. In het algemeen kan gesteld worden, dat hoe groter een opstand of een zaadgaard is, des te minder invloed heeft stuifmeel van buiten deze opstand op de genetische samenstelling van de nakomelingen.

6.    Oorspronkelijke herkomst

Volgens de EU Richtlijn dient in geval de oorspronkelijke herkomst (ofwel de oorsprong) van het uitgangsmateriaal bekend is dit ook aangegeven te worden. Dit betreft zowel de oorspronkelijke locatie als het karakter ervan; dus als van een Douglas opstand bekend is dat deze is aangelegd met teeltmateriaal afkomstig van een bepaalde opstand in Canada, dan wordt dit weergegeven; maar ook indien bekend is dat bijvoorbeeld van Fraxinus excelsior het een autochtone opstand betreft wordt dit vermeld. Daarmee wordt iets meer inzicht gegeven in het oorspronkelijke karakter van de opstanden. In alle overige gevallen kan voor de kolom ‘onbekend’ of ‘niet-autochtoon’ worden ingevuld.

7.    Doelstelling

De kolom doelstelling is de enige kolom die niet direct informatie levert over het uitgangsmateriaal, maar over het teeltmateriaal dat van dit uitgangsmateriaal afkomstig is. Historisch gezien zijn de meeste opstanden al opgenomen ten tijde van de vorige EU Richtlijn en in die gevallen is de beoogde doelstelling altijd productie geweest van kwalitatief goed hout, waarbij wel altijd gelet werd op gezondheid en aangepastheid van het uitgangsmateriaal evenals een voldoende grote genetische variabiliteit om het teeltmateriaal dat hier uit voort kwam een goede toekomst te waarborgen. Bij de intrede van de categorie ‘van bekende origine’ in 2002, werd niet langer louter op bosbouwkundige (productie) aspecten gelet, maar tevens op de ecologische aspecten van het gebruik van bepaald teeltmateriaal. In de categorie ‘van bekende origine’ wordt uitsluitend autochtoon plantmateriaal opgenomen van populaties, die ivm een voldoende genetische variabiliteit minimaal uit 30 individuen bestaan; bomen en struiken met een plaatselijk grote ecologische waarde kunnen op deze wijze gecertificeerd en betrouwbaar gecontroleerd op de markt gebracht en verhandeld worden.

8.    Jaar van aanleg

Het jaar van aanleg levert exacte informatie over de leeftijd van de opstand. In het algemeen zou men kunnen stellen dat hoe ouder een opstand is, deze ook meer heeft kunnen bewijzen negatieve klimaat invloeden te kunnen weerstaan. Dit betekent uiteraard niet meteen dat een jongere opstand mindere kwaliteiten zou bezitten op dit gebied; dat zal de toekomst moeten leren.

9.    Eigenaar/beheercode

In de kolom met beheerder en eigenaar staan contactgegevens vermeld.

10.  Opmerkingen

In de kolom opmerkingen kunnen alle overige relevante zaken betreffende het uitgangsmateriaal vermeld worden. Zo wordt bijvoorbeeld het minimale aantal individuen in een autochtone opstand vermeld, het aantal bomen waaruit een laan-beplanting bestaat of het aantal klonen waaruit een zaadgaard is opgebouwd. Bij zaadgaarden kan vermeld worden sinds wanneer deze in productie zijn gekomen. Zaad of plantsoen van voor die datum kan dus in principe niet in de handel komen. Hier kan ook vermeld worden per wanneer de toelating van een opstand beëindigd is; bijvoorbeeld doordat de opstand geheel of gedeeltelijk vernield is door een storm of door vuur of wanneer de opstand geveld is. Zaad en plantsoen van die opstand kunnen dan natuurlijk nog wel enige jaren als teeltmateriaal in de handel komen, als het zaad is geoogst voor de beëindiging. Bovendien wordt bij Nederlandse autochtone herkomsten in de categorie ‘van bekende origine’ meestal vermeld om welk type landschapselement het gaat.

Enkele van deze landschapselementen worden hier nader verklaard:

  • Struweel: struikenbos
  • Heg: lijnvormige beplanting van struiken en bomen met als doel erfscheiding of veekering
  • Bronbos: een op drassige grond groeiend bos, op plaatsen waar grondwater aan de oppervlakte komt
  • Houtwal: lijnvormig landschapselement (bijv. singel) op een verhoogde plaats
  • Boezemkade: dijk
  • Singel: lijnvormige beplanting van houtige gewassen
  • Griend: beplanting met wilgen of riet, waar geregeld geoogst wordt
  • Rabatbos: bos op smal stuk enigszins verhoogde grond tussen greppels

Van enkele naaldboomsoorten zijn herkomsten uit overige delen van de wereld opgenomen. In het algemeen zijn de in ons land aanwezige herkomsten van deze soorten het meest aan te bevelen voor gebruik in Nederland. In sommige jaren en bij sommige soorten kan het echter noodzakelijk zijn om uit te wijken naar buitenlandse herkomsten, bij gebrek aan inlands materiaal. Nu is er in vele, deels internationaal gecoördineerde herkomstproeven van deze soorten al aanzienlijke ervaring opgedaan met buitenlandse herkomsten. Vele zijn totaal niet aangepast aan ons klimaat en dienen vermeden te worden. Deze zijn uiteraard niet opgenomen; de positief beoordeelde herkomsten zijn echter wel opgenomen. Hiervan is meer of minder en vaak zeer wisselende informatie bekend; toch hoort dit juist bij dit materiaal. Daarom kan de geleverde informatie in een aantal gevallen afwijkend zijn van de overige herkomsten.