Ulex
Gaspeldoorn
Soorten en natuurlijke verspreiding
Het geslacht <em>Ulex</em> behoort tot de familie van de <em>Fabaceae</em> (Vlinderbloemigen). Het geslacht is nauw verwant aan <em>Genista</em> (heidebrem) en <em>Cytisus</em> (brem) en bestaat uit ca. 12 wintergroene soorten met de grootste diversiteit in het Iberisch Schiereiland. In Nederland komt van nature enkel de gaspeldoorn (<em>Ulex europaeus</em>) voor.
Morfologie
Struiken van het geslacht <em>Ulex</em> kenmerken zich door een bossige groei met dunne groene stengels en kleine bladeren. Vele soorten worden niet hoger dan een meter. Doorgaans hebben <em>Ulex</em> soorten gele bloemen. Op goed doorwortelbare gronden vormen ze een diepgaand wortelstelsel. Ze vormen wortelknolletjes die bacteriën bevatten waarmee stikstof uit de bodemlucht kan worden omgezet in voor de plant opneembare stikstofverbindingen.
Belangrijkste toepassingen
Naast enkele cultuurvariëteiten die als sierstruik in tuinen wordt toegepast, worden de wilde, doorgaans generatief vermeerderde, soorten soms aangeplant in landschappelijke beplantingen en op losse zandgronden om verstuiving tegen te gaan. Ze zijn drachtplanten voor bloem-bezoekende insecten.
Klimaat- en groeiplaatseigenschappen
<em>Ulex</em> soorten zijn vanwege hun bouw goed bestand tegen droogte en stellen weinig eisen aan de bodemvruchtbaarheid, mede dankzij het stikstofbindend vermogen van de wortels. Veel <em>Ulex</em> soorten zijn aangepast aan brand; sommige soorten hebben brand nodig om de peulen te openen en vele lopen na brand snel weer uit. Natte bodems en bodems met waterstagnatie worden slecht verdragen. Ze zijn lichtbehoevend en groeien het beste in de volle zon. <em>Ulex</em> soorten zijn in het algemeen vorstgevoelig.
Ziekten en plagen
<em>Ulex</em> soorten kennen een klein aantal ziekten en plagen, zoals rupsenvraat, maar die doorgaans niet beperkend zijn voor de toepassing van de soorten.
