Hippophae rhamnoides

Duindoorn (geen richtlijnsoort)
Natuurlijk verspreidingsgebied
In Nederland komt de duindoorn algemeen in het wild voor in het duin en maritiem district. Elders in Nederland is de soort vrij zeldzaam en soms aangeplant of verwilderd. Het natuurlijk verspreidingsgebied van de duindoorn ligt verspreid over een gebied dat zich uitstrekt strekt vanaf Japan tot het kustgebied van Noordwest Europa, inclusief Groot Brittannië, tot aan Finland.
Morfologie
De duindoorn is een meerstammige, overblijvende en bladverliezende struik die een hoogte kan bereiken van 3 à 4 (soms tot 10) meter. De stugge takken zijn bezet met 3-4- cm lange dorens. De soort heeft een vrij uitgebreid wortelstelsel, zowel naar de diep als oppervlakkig. De jeugdgroei is vrij snel, op de betere groeiplaatsen tot 1 m per jaar. De jonge, gedoornde takken zijn aanvankelijk nog dun en bezet met zilvergrijze schubben die gaandeweg naar bruin verkleuren. De oudere stammen hebben een grijze, gegroefde bast. De verspreid staande, 5 tot 8 cm grote bladeren zijn lijnvormig tot smal spatelvormig (tot 7 mm breed), kort gesteeld en met een gave rand. Aan de bovenzijde zijn ze grijsgroen van kleur, aan de onderzijde witachtig. De plant is tweehuizig. De vrouwelijke en mannelijke bloemen komen op verschillende planten voor. De vrouwelijke bloei is niet zo opvallend en de groenachtige bloemen ontwikkelen zich als korte trosjes in de oksels van dicht bijeen staande bruine knopschubben op de loten van het voorgaande jaar. Ze verschijnen voordat het blad geheel is uitgelopen. De bloeiperiode is april-mei. De mannelijke bloemen zijn bruinachtig van kleur. De pollen worden verspreid door de wind. De vruchten, die pas worden gevormd wanneer de struik 3 à 5 jaar oud is, zijn 6 tot 9 mm grote, ronde schijn bessen met, bij rijpheid een fel oranje tot oranjerode rode kleur en een glanzend bruine, harde pit. Ze zijn rijp vanaf september maar blijven nog tot ver in de winter aan de struik hangen. Verspreiding van de zaden gebeurt vooral door vogels. Over geringe afstand verspreidt de struik zich ook via opslag uit worteluitlopers. De struik wordt niet oud (ca. 15 jaar) en de oorspronkelijke struik sterf vaak af wanneer hij geheel is omring door zijn eigen worteluitlopers.
Belangrijkste toepassingen
Generatief vermeerderd materiaal van de echte soort wordt toegepast in landschappelijke en natuurlijke beplantingen, van ouds in houtwallen die bedoeld zijn als veekering, maar ook in duinen om verstuiving van de grond tegen te gaan. De eetbare maar zure bessen zijn zeer rijk aan vitamines (o.a. vitamine C) en worden soms verwerkt in geleien en siropen. In o.a. Rusland, China en de Himalaya wordt de soort, of cultuurvariëteiten daarvan, als oogstplant in plantages geteeld. De struik is waardplant voor een groot aantal vlindersoorten en in de winter een voedselbron voor diverse zangvogels.
Groeiplaats
De soort komt vooral voor op de drogere gronden, in heggen en struikgewassen. Soms is de soort aangeplant in houtsingels. De bodem moet bij voorkeur open en diep bewortelbaar zijn. De eisen die worden gesteld aan de vochtleverantie zijn betrekkelijk laag. Hij groeit nog redelijk goed op natte bodems, maar langdurige waterstagnatie wordt slecht verdragen. V.w.b. de bodemvruchtbaarheid groeit de soort het beste op enigszins kalkhoudende gronden. De stikstofleverantie daarvan mag gering zijn, omdat de plant in staat is om met de in symbiose levende stikstofbacteriën (Frankia spp.) stikstof te binden en daarmee een groot gedeelte van zijn stikstofbehoefte te dekken. De soort is zeer goed bestand tegen droogte, wind, zeewind en zout (in de bodem) en is in Nederland winterhard. De plant verdraagt geen zware schaduw. Wanneer in een bos de kroonbedekking van de bodem meer wordt dan 50% kan de struik zich al niet meer handhaven. Hij groeit het beste op zeer zonnige plaatsen.
Ziekten en plagen
Er zijn geen belangrijke ziekten en plagen bekend die beperkend zijn voor het gebruik van de soort. Maar in sommige jaren kunnen de struiken geheel worden kaalgevreten door rupsen van bastaardsatijnvlinder (Euproctis chrysorrhoe) waarvan de (brand)haren bij mensen allergische reacties kunnen geven. De struik herstelt zich doorgaans zonder veel problemen van de kaalvraat.