Rosa spinosissima

Duinroos (geen richtlijnsoort)
Natuurlijk verspreidingsgebied
Het natuurlijke verspreidingsgebied van Rosa pimpinellifolia (synonym R. spinosissima) strekt zich uit van midden China tot de Noordzeekust (inclusief Groot-Brittannië), de noordelijke Middellandse Zeekust tot zuid Scandinavië. Ook komt hij plaatselijk voor in Noord-Amerika, maar is daar waarschijnlijk in het verleden geïntroduceerd en daarna verwilderd.
Morfologie
De duinroos is een bladverliezende, overblijvende, struik die op de betere groeiplaatsen een hoogte kan bereiken van ca. 1 meter. De stugge twijgen zijn dicht bezet met zowel haakvormige als kortere draadvormige stekels van verschillende lengte. De jonge twijgen hebben een lichtgroene kleur die bij ouder worden overgaat naar roodbruin tot zwartbruin. De 5 - 8 cm lange bladeren staan verspreid over de steel en zijn oneven geveerd samengesteld uit 5 tot 11 deelblaadjes met een zeer korte steel, 1 -2,5 cm groot, met een eironde vorm en een dubbel gezaagde bladrand. De bovenzijde is donkergroen, de onderzijde lichtgroen. De alleenstaande en zonder steelblaadjes, tweeslachtige bloemen vormen zich aan de toppen van de stengels en hebben een diameter van 2 tot 5 cm. De 5, elkaar overlappende kroonbladen zijn meestal wit, maar soms roze of geel. De helmknoppen zijn geel tot oranjerood. De kelkbladen zijn vaak niet gedeeld en vallen na de bloei niet af. De plant boeit in mei-juni, met soms nog een nabloei in het vroege najaar. Bestuiving vindt plaats door insecten. De vruchten zijn 1 - 1,5 cm grote, bijna ronde, glimmend (paars)zwarte bottels die in de periode september-oktober rijp zijn. De bottels worden gegeten door vogels die daarmee ook de zaden verspreiden. Over korte afstand kan de plant zich verspreiden via worteluitlopers. De plant heeft daarmee vooral in de duinen een grote concurrentiekracht.
Belangrijkste toepassingen
De wilde soort wordt generatief vermeerderd en toegepast in (randen van) landschappelijke en natuurlijke beplantingen en soms ook in duinen om verstuiving van de bodem tegen te gaan. De (eetbare) bottels zijn rijk aan vitamine C en worden soms gebruikt voor het maken van jam en limonades e.d. Het is een drachtplant voor bijen.
Groeiplaats
De soort komt vooral voor op de zwak zure tot kalkhoudende zandgronden in heggen, struikgewassen, bosranden en heidevelden. De eisen die worden gesteld aan de vruchtbaarheid en vochtleverantie van de bodem zijn betrekkelijk laag, maar op de schralere groeiplaatsen blijft de struik aanmerkelijk kleiner dan 1 meter. De soort heeft een vrij ondiep groeiend wortelstelsel en groeit het goed op open, lichte bodems. (Langdurig) natte bodems worden slecht verdragen. De soort is goed bestand tegen wind, zeewind en zout (in de bodem) en is in Nederland winterhard. De plant verdraagt geen zware schaduw en groeit het beste op zonnige tot zeer zonrijke plaatsen.
Ziekten en plagen
Er zijn geen aantastingen waarmee bij toepassing van deze soort in het bijzonder rekening moet worden gehouden.