Rubus fructicosus

Braam, Bosbraam (geen richtlijnsoort)
Natuurlijk verspreidingsgebied
In Nederland komen meerdere soorten in het wild voor, waarvan sommige in Nederland inheems zijn, zoals de dauwbraam (Rubus caesius) en de gewone braam (Rubus fructicosus). Het natuurlijke verspreidingsgebied van de gewone braam strekt zich uit over een groot gedeelte van West Europa (vanaf Spanje tot Rusland en tot zuid Scandinavië en de Oekraïne. Momenteel is de soort ook ingeburgerd in sommige delen van andere continenten (o.a het westen van Noord Amerika, Zuidoost Australië en Nieuw Zeeland. Van alle –kunstmatige of natuurlijke- hybriden met braamvormige vruchten is Rubus fructicosus momenteel de verzamelnaam.
Morfologie
Het is een bladverliezende, heester met meerdere stengels, die een hoogte kan bereiken van 2 à 3 (soms tot 6) meter. De gladde, kantige stengels zijn bezet met forse stekels. Ze zijn aanvankelijk dofgroen, maar verkleuren bij veroudering naar bruingeel. Het is een overblijvende plant, maar de stengels worden doorgaans niet ouder dan twee jaar en de vruchten worden gevormd op het tweejarige hout. Door dat zich ieder jaar nieuw stengels vormen die vaak ombuigen en uit de toppen weer nieuwe scheuten vormen is het een warrige en -mede door de stekels- moeilijk doordringbare struik van vele meters doorsnede.
De verspreid staande, gesteelde bladeren zijn handvormig samengesteld uit 3 of 5 (soms 7) ronde tot ellipsvormige, iets spits toelopende, 5 tot 10 cm lange deelblaadjes, die aan de randen gezaagd zijn met ook op de afzonderlijke steeltjes en nerven nog stekels. Ze zijn dofgroen aan de bovenzijde en lichtgroen aan de onderzijde en overlappen elkaar niet. De 1 – 2 mm brede steunblaadjes zijn langwerpig tot lintvormig.
De plant is tweeslachtig, eenhuizig. De stervormige bloemen zijn 2 – 3,5 cm groot met 5 witte tot roze, smalle tot breed ovale kroonbladen die uitsteken buiten een de grijze of groene kelk met soms en witte rand. De helmknoppen hebben een lichtgroene tot paarse kleur.
De bloemen bevinden zich vaak in onregelmatig trossen bijeen en worden bestoven door vele bloembezoekende insecten. De plant bloeit in de maanden mei-juni t/m augustus en de vruchten verschijnen al vanaf eind juli.De vrucht is een1 tot 2,5 cm grote samengestelde besvrucht die is opgebouwd uit 20 tot 50 deelvruchtjes. Ze hebben een glanzend rode kleur die later overgaat naar zwart. Het sap is paarsrood en vrij zoet van smaak. Verspreiding van de zaden gebeurt vooral door vogels.
Belangrijkste toepassingen
Bramen zijn voedselplanten voor een breed scala aan (nacht)vlinders. De eetbare vruchten worden vers gegeten of verwerkt als jam of siroop.
Van de soort bestaan meerdere cultuurvariëteiten, ook doornloze, die vegetatief worden vermeerderd en vooral vanwege hun vruchten worden geteeld. Generatief vermeerderd materiaal van de echte soort wordt toegepast in landschappelijke en natuurlijke beplantingen, zoals houtwallen en -singels.
Groeiplaats
De soort komt algemeen voor op allerlei grondsoorten en bodemtypes, in heggen, struikgewassen, bosranden en in lichte loofbossen, vaak op gestoorde gronden, zoals kapvlaktes, aanspoelgronden, oude muren, stortplaatsen, etc. Soms is de soort aangeplant in houtsingels. De eisen die worden gesteld aan de vochtleverantie zijn betrekkelijk laag.
De soort heeft een vrij ondiep groeiend wortelstelsel. Hij groeit nog redelijk op permanent natte bodems. V.w.b. de bodemvruchtbaarheid groeit de soort op zowel zure, kalkarme als kalkhoudende gronden. Hij groeit nog goed op schralere gronden (o.a. duinen), maar doet het beduidend beter op gronden met een redelijke hoge stikstofleverantie. De soort is redelijk goed bestand tegen wind, zeewind en zout (in de bodem) en is in Nederland winterhard. De plant verdraagt enige schaduw maar groeit verreweg het beste op zonnige plaatsen.
Ziekten en plagen
Er zijn geen belangrijke ziekten en plagen bekend die beperkend zijn voor het gebruik van de soort als landschappelijk plant. Onder langdurige hoge luchtvochtigheid kunnen de vruchten soms worden aangetast door de schimmel Botrytis cinerea, waardoor ze vrij snel oneetbaar worden.